Wat vindt ons krokodillenbrein van fastfood?


Als we met zijn allen willen dat we gezonder gaan eten, dan zou de omgeving gezonder moeten worden. Dat hebben we in Nederland zo met elkaar afgesproken op de Nederlandse voedseltop. En toch schieten er nog elke maand tientallen fastfoodketens uit de grond.

Vooral in binnensteden zie je de enorme snackwinkelinvasie. En niet alleen de bekende ketens. Amsterdam is niet de enige plek waar we overdonderd worden door deze hype. Bij mij om de hoek in Almere verschenen in een korte tijd wat ijssalons. De hippe foodtrucks op allerhande festivals doen daar vrolijk aan mee. Fastfood is ook makkelijk eten, simpel te bewaren. Gefrituurd en ultra bewerkt voedsel gaat nu eenmaal lang mee. Maar niet zo gezond. De negatieve kanten van de te zoute, te vette ongezonde hap vergeten we vaak, omdat de verleiding erg slim gaat.

Krokodillenbrein houdt van vies

Natuurlijk, fastfood adverteert ook met frisse salades naast je ‘Tasty Burger’. Maar groenten is toch iets minder ‘Tasty’ volgens ons krokodillenbrein. Ons brein vindt zout, zoet en vet megalekker. Een dan ook vooral de geuren van dat, meestal gebakken, voedsel. Die geuren gaan rechtstreeks onze hersenstam binnen, en enkel door onze neus dicht te knijpen kunnen we de verleiding weerstand bieden. Kunnen ruiken is ook het enige zintuig wat we niet kunnen ‘afsluiten’ van de wereld om ons heen. We kunnen kijken, en niet zien, we kunnen horen, en niet luisteren, we kunnen likken, en niet proeven. Geur dringt door, duikt als enige meteen je krokodillenbrein in, gaat naar je hersenstam. Altijd. En dat weten de marketeers, de fastfoodketens, en de bakker op de hoek als geen ander.

Gezond eten moet weer leuk

Bijna iedereen probeert gezond te eten, maar op de een of andere manier lukt het de fastfoodketens ook om in ziekenhuizen en scholen hun winkeltjes te openen. Juist op plekken waar gezond eten essentieel is. Daarom is het goed dat ik samenwerk met het bedrijf Yes We Do! Een bedrijf dat een alternatief wil bieden. Een gezonde snack. Een lekkere snack. Vers uit de regio. Een bezorgdienst en pick-up point. Lekkere biologische koffie voor weinig. Hiervoor willen ze de duurzame kiosken die ik produceer inzetten. En het liefst in wijken waar gezond biologische eten belangrijk is. Als een heerlijk alternatief. Voor normale prijzen.

60 procent van de Nederlander heeft in 2040 een chronische ziekte

Ik vond onderstaand bericht in een van mijn krantenknipsels. Ons grootste probleem is niet hoeveelheid voedsel, maar de kwaliteit van ons voedsel. Zeker nu ik ook lees (RIVM 2017) dat in 2040 meer dan zestig procent van de Nederland een chronische kwaal heeft (vooral obesitas en suikerziekte). En ik vind daar wat van.

The European Environment Agency over de kwaliteit van leven in steden (2012): 

Over the past decade, urban quality of life has substantially improved, but, yet, in society at large, ground is being lost, serious health problems are arising from air pollution, the number of obese people is increasing and major economics, environmental and social impact are foreseen as a consequence of climate change. The problems are serious, and we are on the brink of a potentially irreversible change. While our current way of life provides us with quality, at at the same time it is putting our future at risk. A change to sustainable life styles, which nonetheless provide all necessary happiness, is required.’

Volfunctioneren


Kun je geluk leren? Ik weet het niet. Is het mogelijk om weer terug te keren naar je ‘kindzijn’ om veel aangeleerde vooroordelen te kunnen loslaten. Geen ‘dat kan niet’-gedrag, maar juist: ‘leuk, we gaan het gewoon doen’-gedrag. Zou dat mogelijk zijn? Zomaar voluit leven?

Ik kijk af en toe naar de dingen vanuit de ogen van onze kinderen, onze dochter, onze zoon. Zo ontdek ik elke dag weer nieuwe mogelijkheden. Kinderen, ook de onze, voelen zich vrij. De hoofdtoon van hun bestaan is – ondanks de handicaps – intens genieten van het leven. Ze beleven plezier aan het leren, hebben deugd aan elkaar en aan de dingen die ze zomaar ontdekken. Ze stralen vitaliteit en tegelijk ontspanning en innerlijke rust uit. Ze stellen zich open en ontvankelijk op voor alles wat op hen afkomt. Ze zijn spontaan en durven, misschien wel het allerbelangrijkst, zichzelf te zijn. Hun geluksgevoel is verbonden met zelfvertrouwen, een goed zelfwaardegevoel, weerbaarheid.

Volfunctioneren
Wat leer ik ervan? Ik denk simpel genieten van alles wat je meemaakt, wat je doet en je leven niet laten (af)leiden door critici. Ik weet bijna zeker dat er nog nooit een standbeeld is opgericht voor een criticus. Leef je leven alsof je kind bent. Zo ontstaan er nieuwe kansen.

Onze kinderen zijn daarin mijn helden. Beiden met grote uitdagingen voor zich. Onze dochter Mayim, gehandicapt en puber, probeert nu al een maand met haar spastische handjes het liedje ‘Vader Jacob’ op haar tweedehandse ‘grotemensenpiano’ te spelen. Met haar wilskracht gaat dat lukken. Onze zoon Machiel, studerend, is met de auto van zijn vader samen met zijn vriendin op zwerftocht rond de Pyreneeën. Een zoon die echt geïnteresseerd is in hoe mensen denken en doen. Dat wordt nog wat. Zich ook dubbel en dwars inzet voor zijn gehandicapte zusje. Niet tegen onrecht kan en voor iedereen opkomt. Een ‘Mandela’ in de dop is (zegt de trotse vader met overdrijving). Twee minihelden dus.

De derde held
Mijn vrouw, onderneemster, met een bedrijf dat in een heel moeilijke niche-market zit. Gehandicapten aan een echte baan helpt. Mensen met problemen ondersteunt. Heel veel op haar bordje schept. Met plezier. Zij is mijn derde held. Haar droom heeft in geld meer gekost dan het oplevert. Maar als je geld weg denkt heeft het een nieuwe wereld opgeleverd. Niet met geld te betalen. Mijn helden. Geen opgeklopt schuim. Wel een beetje heroïek, maar met een menselijke maat. Gewoon met zijn allen bezig om deze wereld een stukje mooier te maken.

DSC01532.JPG

A small step for mankind, but a big step for us, her parents … (vrij naar Neil A.)


SONY DSC

Mayim, onze puberdochter, verheugt zich op haar schoolreisje. En voor het eerst mag zij met een groepje kinderen ‘los’ de dierentuin in. Dat wil zeggen zonder begeleiding van een volwassene. Er is wel een mobieltje met een noodnummer van de leerkracht aanwezig in de rugzak.

Alsof je een vijfjarige alleen laat reizen naar Alaska

Voor ons is dit voor de eerste keer dat we dit durven. Onze ernstig en meervoudig gehandicapte dochter loslaten, al is het in dierenpark Amersfoort, is een hele grote stap. Misschien hetzelfde gevoel als je je kind op zijn vijfde in een vliegtuig naar Alaska zet zonder persoonlijke begeleiding. In een dierentuin rijden gelukkig geen haastige automobilisten door rood en de wilde dieren zitten achter een hek. Om Neil Armstrong te quoten, het lijkt een kleine stap voor menigeen – a small step for mankind – maar is enorme stap voor haar en haar ouders, vanuit de beschutte wereld de onbeschutte wildernis in.

Rolstoel kaduuk

De avond daarvoor houdt haar elektrische rolstoel ermee op. Kortsluiting in de stuurkast onder de joystick. Water van de onverwachte onweersbui van de dag daarvoor vermoeden we. Om 22.00 uur bellen we Welzorg. Sebastiaan, onze Almeerse servicemonteur neemt op en vraagt ons een foto van het kastje te sturen en kijkt wat hij kan doen. Want schoolreisjes, ja dat zijn heel belangrijke afspraken, vindt hij. De volgende morgen staat hij om 7.30 uur op de stoep. Met een gloednieuwe stuurkast. Binnen een uur kan Mayim naar school rijden, waar de schoolbus al ronkend klaar staat voor de tocht naar Amersfoort. Perfect werk van Welzorg twitterde ik vol plezier. Instemmend twitterden tientallen mensen mee. Want schoolreisjes, dat zijn belangrijke zaken.

Juf Mariska, een topjuf

Aan het eind van uitje stuurt Mariska alle ouders en kinderen rond etenstijd een email. Mijn vrouw leest hem hardop op: ‘We hebben met elkaar de dieren gezien en ondanks de regen genoten van vandaag. Maar dat was minder belangrijk dan wat jullie hebben laten zien vandaag. Ik had al gezegd hoe spannend ik het vond, maar dat was helemaal niet nodig, want wat goed hebben jullie het gedaan vandaag. In de groepjes werd voor elkaar gezorgd, alle afspraken werden keurig nagekomen, en veranderingen in de planning konden jullie prima aan. Ik was vandaag een super trotse juf. Tot morgen en slaap lekker.’

Onze kind wordt langzaam volwassen. Loslaten blijft moeilijk. Maar deze stap is in ons gezin een hele grote geweest, that’s for sure. Nu volgende week naar kamp. Drie dagen weg … drie dagen los!

 

Gestemd op …


Mijn dochter schrijft samen met mijn ondersteuning een boek. Hier het laatste hoofdstukje. Mayim Kolder is de IK-persoon.

Woensdag 18 maart, de dag om te stemmen. Meteen als ik uit school kom wil ik naar het stembureau.

‘Opschieten,’ roep ik naar de rest van de familie. ‘Stemmen!’
Over de hoge drempel van de voordeur van stembureau zijn twee planken neergelegd als een soort van invalidenoprit, maar dan wel heel schuin. Ik druk op knop nummer 4 van het bedieningskastje van mijn rolstoel, dat van heel snel, maak een spurt en ‘jump’ over de drempel, vlieg een paar centimeter omhoog en land vlak voor een oude man. Hij kijkt alsof hij een vogelverschrikker naspeelt.
‘Sorry,’ zeg ik tegen hem.
‘Ach, kind,’ zegt hij. ‘Als iedereen zo enthousiast is, komt het wel goed met de verkiezingen.’
Vier tafeltjes zie ik bij binnenkomst, waarachter drie mannen zitten en een jonge vrouw. En toevallig is dat Doris, mijn buurmeisje.
Ik heb mijn paspoort en oproepkaart al op mijn werkblad liggen. Voor Doris ben ik blijkbaar nog altijd dat kleine meisje. Ze zegt: ‘Oh, ik wist niet dat je al 18 bent.’ Ja, als ik geen 18 was kwam ik toch niet stemmen, laat maar, ze is wel lief en het is mooi weer.
Nu komt de controle van de mensen achter de tafeltjes, de eerste, dat is Doris, pakt mijn paspoort en noemt mijn naam, zodat de tweede op rij iets kan afvinken. Hij geeft de derde op rij opdracht het stembiljet aan mij te overhandigen. Wat de vierde doet dat blijkt later. Hij is de stembusbewaker, je moet het biljet er netjes opgevouwen in doen.
‘Die vierde meneer,’ fluistert pappa. ‘Is raadslid voor de PVV in Almere.’
‘Dag Mayim,’ zegt hij tegen me.
Wat moet ik doen, het is echt niet mijn partij, moet ik nou naar hem lachen of een shagrijnige kop trekken.
Ik ben nog over die man aan het nadenken, als ik al bij het laatste stemhokje ben aangekomen, speciaal voor rolstoelers. Het heeft een lage lessenaar.
Maar omdat mijn rolstoel een eigen werkblad heeft op dezelfde hoogte pas ik er niet onder. Dan maar ervoor. Mama vouwt mijn stembiljet open, we wisten al dat het veel te groot was, dus vouwt ze het op een manier dat mijn partij boven ligt. Ik heb thuis vertelt waar ik op ga stemmen.
Ik steek mijn hand uit voor het rode potlood, maar het zit vast aan een te korte ketting om de afstand te kunnen overbruggen van twee lessenaars. Hallo, kan ik zeker nog niet stemmen.
‘Wacht nou maar …’ zegt mijn moeder … ‘Ik draai het schroefje van het kettinkje wel los … alsjeblieft, hier is je rode potlood.’

STEMMEN!!!

Het stembiljet wordt door mijn moeder keurig in achten teruggevouwen en ze legt het op mijn werkblad. Ze heeft trouwens nog even een onderonsje met de PVV-man, want ze denkt dat hij het niet kan waarderen dat het potlood met ketting is gesloopt. Ten overvloede zegt ze ook nog: ‘De potloden zitten ook niet goed vast,’ en duwt het rode potlood en het losse kettinkje in zijn handen.

De PVV-man biedt aan, mijn stembiljet in de stembus te doen. Ik schud mijn hoofd.
‘Bedankt, dat doe ik zelf wel, dat is toch juist de lol,’ zeg ik tegen hem.
Mijn rolstoel laat ik tergend langzaam omhoog gaan. En ik kantel hem een beetje, zodat ik precies op de goede hoogte naast de stembus sta. Met soort van volleerde beweging, met mijn minst spastische arm, die niet ver omhoog kan, werp ik het biljet … ernaast.
‘Shit!’ zeg ik tegen de PVV-man. ‘Ik wou even stoer doen.’
Hij raapt het stembiljet op en legt het op mijn plateau. ‘Alsjeblieft,’ zegt hij.
Nog een keer, en nu lukt het. Het stembiljet zit in de bus. Gaaf.

 

Spastisch stemgedrag


Dit is een voorpublicatie uit het boek Mayim. Over het leven met spasticiteit. Geschreven door Mayim met hulp van haar vader.

——

Ja hoor, mijn stempas is binnen, ik tel nu echt mee, je weet wat ik bedoel. Op mijn stempas staat: M.T.R.N.A. Kolder plus mijn adres (de letters staan voor de afkorting van mijn voornamen Mayim, Thèra, Rea, Niké, Antigoné). En we hebben wat leuks in Almere, iedereen krijgt een soort van ‘oefenstemformulier’ toegestuurd.

‘Pappa, vouw het eens open voor me?’

‘Probeer het eerst zelf!’ zegt hij.

Oh, ja, zo word ik opgevoed, eerst zelf doen. Ik begin het open te vouwen, maar het lukt me niet. De reikwijdte van mijn armen is niet voldoende, en dan heb ik nog van die ultra-spastische handjes …

Mijn vader doet het dus en legt het op mijn blad van de rolstoel, waar het van alle kanten overheen valt.

Daarna houdt hij het oefenstemformulier met gespreide armen voor mijn neus.

‘Dat noemen ze dus een spreadsheet,’ zeg ik.

Dat weten jullie nog niet, ik loop stage bij het bedrijf van mijn moeder, zij is van beroep ‘Arbeidstoeleider’, dat betekent dat zij gehandicapte mensen naar werk toe leidt. Wat ik bijvoorbeeld leer is administratie en bijvoorbeeld de telefoon aannemen en dan volgens een telefoonscript handelen. Dit is wel heel anders dan vorig jaar, toen liep ik stage bij een muziektheater. Trouwens, mijn moeder is streng hoor, ik ben wel haar dochter, maar als we werken, dan werken we.

Over politieke partijen weet ik intussen wel wat, via school, maar ook thuis natuurlijk, bij ons wordt er over politiek gepraat, wat partijen allemaal willen. En je moet weten dat mijn vader kandidaat gemeenteraadslid is geweest voor Groenlinks, er hingen allemaal posters met zijn kop erop. Er was net in die tijd een rel bij Groenlinks. Tofik Dibi wilde lijsttrekker worden en Jolande Sap wilde het blijven. Een soort interne strijd om de macht, en heel Nederland smulde van deze soap. Dat had een negatieve invloed op het stemgedrag. Dat heeft mijn vader de das om gedaan, hij stond op nummer vijf en Groenlinks kreeg maar twee zetels, terwijl ze verwacht hadden dat ze er minstens vijf of zes zouden krijgen. Dat is deze keer wel anders met Jesse Klaver, die heeft van de mooie bruine ogen. Ik heb Jesse een week lang als Kamergotchi moeten verzorgen. Dat is een app, waar je politici moet verzorgen. Eten geven, aaien, dat soort dingen. Mijn broer had Marianne Thieme van de partij van de dieren, die vroeg om frikadellen. Die ging bij hem snel dood want ze is vegetarisch, en toen kreeg hij Wilders die lustte wel frikadellen. Bij mij ging Jesse uiteindelijk ook dood omdat ik hem vergeten was.

Over dat stembiljet heb ik wel een tip voor de Tweede Kamer. Waarom kan dat niet slimmer dan met zo een stuk papier en een rood potlood, maar gewoon met je mobieltje en een stem-app.

‘Papa,’ vraag ik. Is het stemhokje wel toegankelijk voor een rolstoel?

‘Ik weet zeker dat ze ook een brede variant hebben,’ antwoordt hij. ‘Ook handig voor dikke mensen als ik.’

Hoe hoog de lessenaar waar het stemformulier op ligt is niet zo belangrijk, want mijn rolstoel kan omhoog. En mijn broer had het idee om een plastic sjabloon over het stemvakje te leggen wat ik moet inkleuren, dan schiet mijn potlood niet alle kanten uit vanwege mijn handjes. Volgende week ga ik met hem op stemavontuur en het boeit me.

We zullen het zien. Verslag en foto volgt in een volgend blog.

ontstemt-624x390.jpg

De kracht van een ‘sustainable story’


Een houdbaar verhaal als antwoord op een nieuwe organisatie-identiteit

Bij het vertellen in een kleine kring van een boeiend of goed verhaal ontstaat een onderlinge verbondenheid tussen de luisteraars. Deze verbondenheid ontstaat vanzelf. Zeker als je een speld kunt horen vallen. Een verhaal biedt overzichtelijk in een complexe versnipperde samenleving.

Inhoudelijke dimensie

Een ‘sustainable story’ over hoe je als bedrijf in de wereld staat bijvoorbeeld. Dat kan een organisatie veel inzichtelijker maken dan je via een-dimensionele ‘reclame’ doet. Een goed verhaal gaat over waarom je de dingen doet zoals je ze doet’. Het geeft een inhoudelijk fundament aan de organisatie. Waar zij voor staat en gaat. Waar zij zich voor wil inspannen. En natuurlijk voor andere zaken dan alleen financiële winst of aandeelhouderswaarde. De wereld een beetje mooier te maken voor elkaar bijvoorbeeld. Met de sustainable Development goals. Daarmee geeft zij aan hoe ze de wereld ziet, hoe zij de wereld verrijkt, als antwoord op de onoverzichtelijkheid.

Relationele dimensie

Het verhaal verbindt verleden, heden en de toekomst van de organisatie met de dynamiek van de omgeving. De scheiding tussen koper en verkoper bestaat niet meer. Beide zijn als het ware geblend. Als een soort twee-eenheid. Je identificeert je met elkaar. Dat ziende, nodigt de organisatie mensen uit die zich verbonden/aangetrokken voelen, om te participeren, te adviseren over producten of diensten (of weg te blijven). Door het verhaal positioneert de organisatie zichzelf nadrukkelijk naar anderen.

Emotionele dimensie

Aan de eigen medewerkers biedt het herkenning, identificatie en betekenis. Vult het ook het emotionele inleven in organisaties en haar medewerkers. Als het goed is zijn de medewerkers ook onderdeel van het verhaal. En daarmee biedt het ankerpunten voor de eigen identiteit.

Basis voor communicatie en gedrag

Met een goed verhaal kunnen bruggen worden geslagen tussen de organisatie en de wereld. Door daarbij belangrijke organisatiewaarden en de waarden van je ‘doelgroep’ te matchen kun je gedrag en symboliek zo afstemmen dat er naast ‘likability’ ook ‘unity’ ontstaat tussen jouw organisatie en je klanten. In eendracht bouw je dan samen aan je product, schep je samen wellicht nieuwe producten, waardoor klanten nog meer betrokken zijn en daarmee meer dan enkel ambassadeur van het product worden. Een krachtige band.

U kunt me bellen om hier eens over te praten als u enthousiast bent over deze filosofie.

FullSizeRender.jpg

 

Optimisme helpt wijkontwikkeling


placemaking

Ik geloof in een veerkrachtige samenleving en kansen die we zelf kunnen creëren. Onzin. Optimisme is een morele plicht, zei wetenschapsfilosoof Karl Popper. 

De gewone man

Als je sommige politici mag geloven heeft de ‘gewone man’ geen kracht meer om de samenleving, zijn woonwijk en leven naar een volgend niveau te brengen. Persoonlijk vind ik dat onzin. Sommige buurten werden juist achterstandswijken doordat mensen de regie en daarmee de verbinding met de stad werd afgepakt. Vaak door regelgevers, handhavers, beleidsmakers en andere beterweters van de gemeente. Ik zie in diverse steden en wijken veel projecten en initiatieven ontstaan waar ik erg blij van word. Maatschappelijke initiatieven groeien als kool. Echt, breng die zogenaamde ‘gewone man’ maar eens samen, laat ze maar eens praten over wat ze anders (in de wijk) willen. Dan worden het net ‘Rotterdammers’ (tenminste, dat is de mythe). Je weet wel, van die gasten die met opgestroopte mouwen de klus klaren.

Loslaten in vertrouwen

Ik zou zeggen. Gemeente blijf af van je wijken en de initiatieven die ontspruiten. Leer eens los te laten in vertrouwen. Bewoners en ondernemers kunnen het echt zelf. Er poppen steeds meer bewonersbedrijven op, opgezet door bewoners, lokale ondernemers en met inzet van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt. Soms gefaciliteerd door de gemeente. Daarmee bedoel ik behalve ‘geld’, juist ook regelarme wetgeving, gemakkelijker vergunningen, regelarme bijstand en kijken naar mogelijkheden van mensen in plaats naar onmogelijkheden.

Maatschappelijk eigenaarschap

Die initiatieven bevinden zich op veel domeinen. De meesten op sociale cohesie en beheer van de eigen omgeving. Maar ook op welzijn en zorg en lokale economie. Een project lukt als het zeggenschap over gemeentelijke middelen krijgt en eigenaarschap. Want natuurlijk hebben initiatieven als ze succesvol zijn recht op publieke middelen. Dus nogmaals, gemeente blijf van succesvolle projecten af en ondersteun voornamelijk faciliterend. Ook burgers kunnen maatschappelijk eigenaarschap hebben en kunnen partner in beleid worden.

De stad is eigendom van de inwoners

Ik besef me dat stad een ecosysteem is, met dynamische levende materie. Laten we die levende materie dan ook eigenaar van de stad maken. Als geen ander geloof ik dat een stad pas tot zijn recht komen als alles en iedereen gemixt is. Als het leven zelf. Organisch, spontaan en onopgeruimd. Untidy, op zijn keurig Engels. De ‘intermingling’ van alle stedelijke gebruikers zijn cruciaal voor economische en stadse ontwikkeling. En dan kies ik graag voor een model waar je kleine lokale bedrijven ondersteunt en creatieve impulsen van stedelijke entrepreneurs omarmt.

Er ontstaan bedrijfjes die de kleine economie omarmen

Waar de politiek nog kan spelen met onderbuik gevoelens, zie ik in de wijken andere verhalen. Ik zie dat inwoners uitdagingen aanpakken en met elkaar oplossingen bedenken. Want ondanks de grootstedelijke problemen, is in de stad ook plek voor oplossingen en experimenten. Waar landelijke regelgeving veel in de weg zit, wordt plaatselijk steeds meer gedoogd ten bate van het experiment. In Amsterdam is er een ‘Free Zone’ ontstaan waar ondernemers en burgers een, op sterven na, dode winkelstraat weer leven in hebben geblazen. De Jan van Galenstraat is nu een hippe trendy plek geworden, waar burgers zelfs winkeltjes bestieren. Het kan overal, ook in Tilburg, ook in Maastricht. Steden zitten vol dynamiek. Trends en vernieuwing ontstaat daar niet zomaar. Burgers tonen hun lef en richten burgerbedrijven op of energiecoöperaties. We zien leerwerkbedrijven en talentfabrieken ontstaan. De kleine economie wordt omarmd. Er komen nieuwe vormen van volkskeukens met buurtgenoten als ondernemers. Er ontstaan wijkmusea en verhalenhuizen. Omdenk- en Kantelcafé’s, leeszalen en buurtzorg. Want we kunnen anders, beter en leuker. Praat-clubs zijn uit en Doe-clubs zijn in. Omdenken is vooral omdoen. Waar inwoners oppakken en aanpakken. En ook dat is kanteldenken.