De kracht van een ‘sustainable story’


Een houdbaar verhaal als antwoord op een nieuwe organisatie-identiteit

Bij het vertellen in een kleine kring van een boeiend of goed verhaal ontstaat een onderlinge verbondenheid tussen de luisteraars. Deze verbondenheid ontstaat vanzelf. Zeker als je een speld kunt horen vallen. Een verhaal biedt overzichtelijk in een complexe versnipperde samenleving.

Inhoudelijke dimensie

Een ‘sustainable story’ over hoe je als bedrijf in de wereld staat bijvoorbeeld. Dat kan een organisatie veel inzichtelijker maken dan je via een-dimensionele ‘reclame’ doet. Een goed verhaal gaat over waarom je de dingen doet zoals je ze doet’. Het geeft een inhoudelijk fundament aan de organisatie. Waar zij voor staat en gaat. Waar zij zich voor wil inspannen. En natuurlijk voor andere zaken dan alleen financiële winst of aandeelhouderswaarde. De wereld een beetje mooier te maken voor elkaar bijvoorbeeld. Met de sustainable Development goals. Daarmee geeft zij aan hoe ze de wereld ziet, hoe zij de wereld verrijkt, als antwoord op de onoverzichtelijkheid.

Relationele dimensie

Het verhaal verbindt verleden, heden en de toekomst van de organisatie met de dynamiek van de omgeving. De scheiding tussen koper en verkoper bestaat niet meer. Beide zijn als het ware geblend. Als een soort twee-eenheid. Je identificeert je met elkaar. Dat ziende, nodigt de organisatie mensen uit die zich verbonden/aangetrokken voelen, om te participeren, te adviseren over producten of diensten (of weg te blijven). Door het verhaal positioneert de organisatie zichzelf nadrukkelijk naar anderen.

Emotionele dimensie

Aan de eigen medewerkers biedt het herkenning, identificatie en betekenis. Vult het ook het emotionele inleven in organisaties en haar medewerkers. Als het goed is zijn de medewerkers ook onderdeel van het verhaal. En daarmee biedt het ankerpunten voor de eigen identiteit.

Basis voor communicatie en gedrag

Met een goed verhaal kunnen bruggen worden geslagen tussen de organisatie en de wereld. Door daarbij belangrijke organisatiewaarden en de waarden van je ‘doelgroep’ te matchen kun je gedrag en symboliek zo afstemmen dat er naast ‘likability’ ook ‘unity’ ontstaat tussen jouw organisatie en je klanten. In eendracht bouw je dan samen aan je product, schep je samen wellicht nieuwe producten, waardoor klanten nog meer betrokken zijn en daarmee meer dan enkel ambassadeur van het product worden. Een krachtige band.

U kunt me bellen om hier eens over te praten als u enthousiast bent over deze filosofie.

FullSizeRender.jpg

 

Advertenties

We zijn Happy Planet Professional


happyplanetprofs-basislogo.png

Tien zelfstandig ondernemers waaronder ik hebben afgelopen weekend het MVO-merk Happy Planet Professionals gelanceerd. Happy Planet Professionals is een landelijke beweging van professionals die maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Ze ondernemen integer en transparant, en houden zoveel mogelijk rekening met het welzijn van mens en dier, het klimaat, de natuur en het milieu.

De oprichting van het merk werd symbolisch ondersteund met het planten van een appelboom in het Vroege Vogelbos in Almere. De tien ondernemers tekenden ter plaatse een overeenkomst waarin zij afspreken om de beweging samen te ontwikkelen.

5 beloftes
Het lidmaatschap van Happy Planet Professionals is voorlopig gratis. Leden doen vijf beloftes:

  1. Zij vermelden hun MVO-activiteiten op hun website of LinkedIn-profiel;
  2. Zij proberen ieder jaar iets meer te doen aan MVO dan het jaar ervoor;
  3. Zij bezoeken eenmaal per jaar een andere professional voor een ‘peer review’ (een beoordeling van de MVO-activiteiten van de ander);
  4. Zij ondergaan eenmaal per jaar zelf een review;
  5. Zij  zetten hun expertise en netwerk in om de beweging te laten groeien.

Leden mogen als bewijs het jaarlogo van Happy Planet Professionals voeren en worden vermeld op de website.

‘We zijn met een miljoen’
Initiatiefnemer Hans Snel van Nectar Marketing over zijn beweegredenen om Happy Planet Professionals op te richten: ‘De bestaande MVO-platforms richten zich vooral op het grote bedrijfsleven, en hebben weinig oog voor de zelfstandige. Wij zijn ervan overtuigd dat zelfstandigen heel veel kunnen veranderen. Misschien zijn op dit moment de meeste zelfstandig ondernemers niet bezig met MVO, of ze denken dat ze weinig kunnen betekenen. Dat gaan wij veranderen. We zijn met ongeveer een miljoen zelfstandigen in Nederland. Dat is 16 keer groter dan de grootste werkgever van Nederland. Dus als we de krachten bundelen, kunnen we een enorme invloed hebben. We zijn met een miljoen!’

Wat kan een ondernemer doen aan MVO?
Snel: ‘Wat je kunt doen, is deels afhankelijk van je beroep. Je kunt bijvoorbeeld reizen met het openbaar vervoer. Je kunt een rekening bij een duurzame bank openen. Je kunt een tweedehands laptop leasen in plaats van een nieuwe kopen. Je kunt papierloos gaan werken. En als je schilder of loodgieter bent, kun je duurzame materialen gebruiken. En wat altijd kan: je kennis inzetten voor een goed doel.’

Geïnteresseerde professionals kunnen zich aanmelden via de website.

oprichters-happy-planet-professionals-nieuws-1024x591

De oprichters van Happy Planet Professionals zijn: Marcel Kolder, The Minimono Company; Esther Kornalijnslijper, Sharing stories & supporting selfcare; Monique Janssens, JT&P Communicatie; Cindy Smit, Bureau Structuur; Danielle Klinge, NGO Office Support; Hans Snel, Nectar Marketing; Nel Sangers, Nel Sangers Advies en Mona Alikhah, Monavid.

Als de leider vertrekt, gaat vaak het roer weer om


 

schaken

foto © Jeroen Dietz, 1988

 

Dit stuk gaat over duurzaam leiderschap. Want zoals de titel zegt, als de leider vertrekt, gaat vaak het roer weer om. Dat zie je regelmatig bij de zwabberende politiek en haar volgend ambtenarenapparaat. Dat zie je nog beter bij (beursgenoteerde) organisaties die sterk op de wensen van de markt moeten inspelen. Het schavot staat snel klaar als de aandeelhouderswaarde niet tot tevredenheid stelt. Soms worden er nog even wat bonussen geïnd nadat de cijfers door een slimme verkoop of afschrijving zijn opgepoetst, maar dit is vaak al een voorbode voor het vertrek van de top.

Leiderschap gaat over het in beweging zetten van mensen. Een goed leider draagt letterlijk zorg voor haar organisatie en zet het ego op een tweede plaats. De communicatie is eerlijk, authentiek, consistent en een combinatie van goed luisteren en dan pas vertellen, van analyseren en een gezamenlijke richting vinden. Tot slot inspireert leiderschap, het daagt medewerkers uit door visie te tonen, vaak over zaken die er nog niet zijn. En daar komt het component ‘duurzaam’ om de hoek kijken. Want hoe duurzaam is leiderschap en haar visie nog, als de baasjes om de vier jaar vertrekken. Reden om voor duurzaam circulair leiderschap te pleiten.

Is er eigenlijk nog wel een top nodig in je bedrijf?

Natuurlijk. Het hoogste échelon is bijna altijd initiator van de richting bij ingrijpende veranderings­processen. Niet omdat ze dat zelf vinden, maar omdat de ‘umwelt’ dat signaal geeft. Tenminste, als je het navelstaren zat bent en van buiten naar binnen denkt. Maar dan, waar liggen dan de echte verantwoordelijkheden om verder te inspireren en aan te jagen? In mijn ogen niet altijd meer bij de hoogste baas. Zeker niet in een kantelende westerse wereld. Sommigen CEO’s ontberen gewoon het talent om duidelijk te communiceren, anderen zitten niet lang genoeg op hun troon om continuïteit te garanderen, en een volgende ploeg is hun onderneming aan het ‘redden’. Dominante vormen van leiderschap en de zendingsdrang van deze heren om maar te scoren is niet meer van deze tijd.

Organisaties zijn continu in transitie en het is een komen en gaan van leidinggevenden en hun belangwekkende boodschappen. Dat brengt de communicatiespecialist in een lastig parket.

Mijn conclusie: Het starten en begeleiden van veranderingen, en haar communicatie kan en mag niet afhankelijk zijn van de leider. Dat lijkt een contradictie, maar is een voorwaarde voor duurzaam leiderschap en duurzaam opereren als organisatie. Een manier om niet alleen top-down, maar overal in de organisatie een vorm van leiderschaps- of verandercommunicatie neer te leggen zou een welkome aanvulling zijn op het palet van de communicatiespecialist.

Veranderende leiderschapsstijl

Een tweede observatie is dat de stijl van de leiderschapscommunicatie rond de jaren 2000 niet meer voldoet aan dat van nu. Toen bleef het hangen in zenderdominante strategieën en functionele communicatie. 20 jaar later gaan organisaties van reactief naar pro-actief, stellen innovatie-speelvelden, samenwerkplatforms voor projecten en de instrumentele aanpak verandert in een meer intuïtieve aanpak, een soort ‘visie zonder precisie’. Het no-nonsense denken verdwijnt en maakt plaats voor inspiratie en anticipatie. Confluent als het ware met organisatieontwikkeling als richting, kijkend naar ketens in het proces en continuïteit. Duurzaamheid als vorm van toekomstbestendigheid in plaats van korte termijn gegraai.

En dan ontdek je dat de communicatieafdeling, het human resourcemanagement en veranderteams tegen dezelfde grenzen lopen. Die van centraal aangestuurde communicatie. Behalve dat de aanzet tot kantelen vaak dogmatisch gebeurt vanuit de oekaze van de ivoren toren, is het ook vaak veel te abstract voor de operatie. De doelen van de leider en zijn veranderdoelen missen de realiteit van alledag en de betrokkenheid van medewerkers bij het proces is nihil. Leiderschap(scommunicatie) op een andere manier organiseren, niet alleen top-down, maar diep in de organisatie en dicht bij de medewerker, zal volgens mij meer rendement oogsten.

Circulair leiderschap is duurzaam leiderschap

Als vanouds ligt het zwaartepunt van het management op cognitie, op controle. Dat geeft de manager een gevoel van zekerheid, maar dempt meestal de creativiteit en energie in een organisatie. En in het verlengde de verantwoordelijkheid bij ‘doing the right job’ bij medewerkers. Bij de zoektocht naar duurzaam leiderschap is ook het vliegwiel aan de gang houden belangrijk. Zo zou elke werknemer leiding kunnen geven aan zijn eigen proces, zijn team en zijn ‘baas’. Zo krijg je een optimaal commitment en ander soort efficiëntie. Omdat de kennis van de operatie toch vaak in de basis ligt. Dit vergt een andere manier van denken en democratisering van bedrijfsprocessen. Ik noem dat circulair leiderschap. Leiderschap is niet meer van een ‘baas’ maar van meerdere mensen. Afhankelijk van de kwaliteiten die op dat moment gevraagd worden, in wisselende teams. Leiderschap komt zo op ieders bordje. Samen op weg betekent dat de top voorwaarden schept om de medewerkers de kans te geven mede richting te geven aan de organisatiefocus, de duurzaamheid, de verandering, de wijze van kennisuitwisseling en de eigen carrièremogelijkheden. De betrokkenheid van de medewerker zal zo sterk worden verhoogd. Medewerkers ontwikkelen meer contact met de kernprocessen. Er ontstaat gedeelde verantwoordelijk­heid en ruimte voor zelfsturende mechanismen. Medewerkers worden zo actoren in het veranderingsproces. Statisch wordt dynamisch, beleidsverklarend wordt beleidsbeïnvloedend. De scheiding tussen ivoren toren en ‘werkvolk’ verdwijnt en verandert in gelijkwaardigheid van partijen.

bijen

Leiderschap platforms

Als verandering een constante is, waarom vinden organisaties dan elke keer weer opnieuw het wiel uit door de introductie van het zoveelste unieke veranderprogramma? Waarom ligt er niet één continu programma en één ankerpunt waar leidinggevenden, specialisten en medewerkers elkaar treffen?

Als verandering een on-going business is, ontwikkel dan ook on-going leiderschapsplatforms, op het niveau van de eerste lijn. Bij de teamleiders of supervisors. Op dit platform weten veranderingen en veranderingsissues een plek te vinden en werken medewerkers en (top)management interactief samen aan vooruitgang en voortdurende vernieuwing. Gezamenlijk vormt men daar het ondernemingsdoel, de identiteit, het leiderschap, de persoonlijkheid, het karakter en het incasseringsvermogen van de organisatie. Die platforms kunnen bouwen op actuele inhoudelijke thema’s van de organisatie die opportuun zijn. Langs de lijn van de inhoud wordt op deze manier gewerkt aan bezieling, inspiratie en kwaliteit.

Creëer met elkaar op het laagste niveau leiderschapsplatforms

  • Creëer duurzame platforms voor leiderschapsontwikkeling bij alle medewerkers
  • Laat de inhoud van het veranderingsproces de communicatie leiden en niet de oekaze van de bazen
  • Maak de medewerkers en teamleider communicatiespil op dit platform
  • Kies voor een integrale aanpak door inzet van alle stafafdelingen op dit platform.
  • Faciliteer als deskundige de direct leidinggevenden door implementatie- en communicatietools, interactie- en opleidingsinstrumenten.
  • Stel voortdurend communicatie-innovaties beschikbaar.

De overtuiging dat leiderschap en haar communicatie niet uitsluitend voorbehouden is aan het topmanagement zal steeds sterker worden. Leiderschapscommunicatie zal breed gedragen moeten worden in de organisatie, zodat ze overal als zodanig beleefd wordt.

Een opmerking. Inspiratie, anticipatie en betrokkenheid zijn mooie woorden. Zo ook de visie uit mijn artikel, zij horen bij een organisatie waar het voor de wind gaat. Er ligt wel een gevaar op de loer: als het minder goed gaat, vervallen leiders snel weer in de traditionele zenderrol.’

Marcel Kolder is directeur van Draoidh, bureau voor organisatie-identiteit en communicatie.

 

Ik geloof in kleine duurzame huisjes


minimono-køik-langevoorhout

 

Deze zomer stonden aan het Haagse Lange Voorhout weer opvallend mooie bamboe composieten stadskiosken tussen de prachtige beelden van Museum Beelden aan Zee.

Een van beide kiosken is ingericht als mini-museumshop en de ander is het bewakingshuisje voor de kostbare sculpturen. De kiosken, Minimono’s genaamd, zijn de prototypen van een nieuwe duurzame kioskenlijn van de Minimono Group, mijn Almeerse bedrijf.

Waarom een kiosk ontwikkelen?
‘De kiosk is in Nederland een tijd lang uit het straatbeeld verdwenen. Met onze Minimono komt deze weer terug en wel op een bijzonder mooie archetypische wijze. Stoer en aaibaar. De varianten hebben een herkenbare identiteit en zijn bedoeld als kleinste urbane objecten. De Minimono is een duurzaam ontworpen kiosk en maakt gebruik van herwinbare materialen als bamboe en composiet. Het zijn verkoop- of informatiepunten die het straatbeeld zullen verrijken in stadsharten, bij manifestaties, aan waterfronten of andere stedelijke knooppunten.

Groningen

De nieuwste versie bedoeld voor het stadhuisplein in Almere.

De Minimono vult het gat tussen marktkraam en winkelpand. Veel ondernemers willen graag een winkeltje starten, maar kunnen de huurprijs van een groter pand (nog) niet opbrengen. De kiosk is voor webshopeigenaren wellicht ook hun eerste winkeltje, hun eigen kijkshop naast de webshop. Grotere concerns kunnen de kiosk gebruiken als sample shop of – zoals het heet – Nomad Kiosk. Klein is het nieuwe groot lijkt het adagium: een duur winkelpand is niet meer nodig, een klein opvallend winkeltje op een goede locatie om klanten te ontmoeten volstaat tegenwoordig. Nou, Ikea, Hema of Praxis, kom maar op.

 

Wat maakt Minimono anders dan andere kiosken?

‘Een kiosk an sich is niet uniek. Uniek zijn wel de combinatie met webshop, de spraakmakende vormgeving, de keuze van duurzame materialen, de hoge aaibaarheid en het modulair concept. Door de modulaire opbouw en inrichting is de Minimono heel functioneel voor de kleine ondernemer. De kiosk bestaat uit verschillende slimme modules. Van kastenwand tot balie. Het is plug and play, want op het dak bevinden zich als het moet zonnepanelen. Tevens is de kiosk snel (ver)plaatsbaar.
De Minimono heeft reeds twee (innovatie)prijzen gewonnen voor concept en uitvoering. In 2014 behoorde het bedrijfje al tot de top 100 innovatiebedrijven van Nederland.

mkb-2014-small

http://www.minimono.nl

Bobo-taal en het belang van een Amerikaanse sirene


electronic-alarm-siren-9256-5224919

Op weg naar de VN-manifestatie over de rechten van mensen met een handicap oefent Marcel, mijn papa, zijn speech voor straks. Mama rijdt onze gehandicaptenbus waarin ik in mijn elektrische rolstoel naast papa zit. Papa noemt zichzelf kanteldenker … kantelen … nou dat kan hij wel, zegt mama altijd. Maar ik weet dat ze daar heel wat anders mee bedoelt.

‘Wie komen daar eigenlijk,’ vraag ik aan papa.

‘Nou het is niet mis hoor wat daar komt, een gezelschap van wethouders en politici, ik bedoel politici in spé, mensen die graag raadslid of wethouder willen worden, want je moet natuurlijk wel gezien worden, en dat kan op een manifestatie van mensen met een beperking. En dat zal wel weer een hoop ‘bobo’-taal worden.’

‘Bobo-taal, wat is dat nou weer?’ vraag ik.

‘Bobo-taal is praten door middel van abstracties waarin de complexiteit van de wereld nog complexer wordt,’ pest papa me. ‘Politici en ambtenaren zijn daar keigoed in.’

‘Ik snap het nog steeds niet.’

‘Ja schat, dat is ook precies de bedoeling. En dat moet veranderen.’

‘Jíj praat zeker nooit zo, hè pap.’

Mama begint te giechelen: ‘Nee hè, Marcel.”

‘Nou ja, jullie zeggen het … mijn speech gaat erover dat mensen met een handicap in onze maatschappij nog steeds niet volledig mee kunnen doen, werk, wonen, uitgaan, leren, noem maar op. We willen de rechten van mensen met een beperking bevorderen.’

‘Wij zijn niet beperkt, de rest is het … we worden gewoon niet gezién,’ zeg ik boos. ‘Weet je nog die keer dat we op zo’n drukke Pinkstermarkt waren en ik met mijn elektrische rolstoel over de tenen van een mevrouw reed die voor ons liep.’

‘Ik zie het nog helemaal voor me, dat was zo een hooggeblondeerde Jordaanse, zo een die in de jaren ‘80 in Almere is gaan wonen,’ zegt mama.

‘Het was haar eigen schuld hoor, want opeens draait ze zich om … een gehandicapte in een rolstoel, nee, die zie je niet … en ik reed dwars over haar voet, ik hoorde haar tenen kraken en ze schreeuwt, kijk uit trut, zo raak ik ook nog gehandicapt.’

‘Zo een domme opmerking.’ zegt papa. ‘Die elektrische rolstoel van jou, die weegt wel 200 kilo.’

‘Toen heb je zo’n Amerikaanse politiesirene op mijn rolstoel gemonteerd, hè pap. Zodat ze me wel zien … of eigenlijk horen … zal ik hem nu even aanzetten?’

‘Neeeee, alsjeblieft niet,’ roepen mijn ouders. ‘Niet nu,’

‘Wat lief hè mama, dat papa dat ding heeft gemonteerd toen.’

(dit fragment is uit het boek Water, wat in 2018 verschijnt over het leven van Mayim Kolder)

De burger is nu aan zet. Want de gemeente gaat straks over de zorg.


wmoDe kanteling die de afgelopen jaren in het gemeentelijke sociale domein is aangezet wordt nu integraal ingezet om de transitie van de AWBZ naar WMO te begeleiden. Daar was het niet voor bedoeld. Daar wordt dan meteen ook jeugdzorg en de wet Werken naar eigen Vermogen aan gekoppeld. Allemaal terreinen die enkel maar bezuinigingsvraagstukken met zich meebrengen. Vraagstukken die door het rijk op het bordje van de onervaren gemeenten wordt geschoven.

‘De kanteling’ is eigenlijk ‘De besparing’
Waar de kanteling tot twee jaar geleden nog uitging van het mooie principe van de eigen regie door de zorg- of hulpvrager, merk ik dat het woord ‘eigen regie’ lijkt geschrapt uit het gemeentelijk beleidsjargon en meer en meer vervangen wordt door ‘eigen kracht’. Dat komt mooi uit, want eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid is gelijk aan de eigen bekostiging door de burger, het gezin en de directe omgeving. De vrijwilligers en mantelzorgers. Zelf laten oplossen dus. Handen er van af, lijkt het adagio. Ik vraag me echt af waarom we ‘de kanteling’ niet gewoon ‘de besparing’ kunnen noemen. Kanteling 2.0. Twee keer zoveel besparen dan men van plan was. 2.0 X dus. Want dat laatste is meer de realiteit dan de ambtelijke mooipraat om de burger de natte droom voor te houden dat hij zijn eigen verantwoordelijkheid terug krijgt. Participatiedenker Jos van der Lans geeft toe (in een interview in Vrij Nederland van afgelopen november) dat zijn ideaal door het kabinet kan worden misbruikt voor bezuinigingsdoelen. Zoals in Engeland bleek toen premier Cameron de Big Society introduceerde en er geen penny voor over had. Van der Lans: ‘In Engeland zeggen ze nu: Big society, small pockets.’

Teruggeven wat is afgepakt en toch niet
De burgers is de laatste tijd de verantwoordelijkheid afgepakt als het gaat om het organiseren en regelen van eigen hulp. Dat is geen geheim. Zorgstaat Nederland is ook een controleerstaat. Een verantwoordingsstaat. Een tabellen- en regelstaat. Er waren wel wat lichtpuntjes de afgelopen jaren. De kanteling 1.0 bijvoorbeeld, de oorspronkelijk vorm. Een goed idee werd gekaapt en verminkt. En de mogelijkheid die zorgvragers hadden rond de eigen regie over je eigen zorg en je eigen leven door een innovatie als het Persoonsgebonden Budget (bedoeld om zelf je eigen zorg in te kopen, flexibel en efficiënt). Deze echte kantel-innovatie is met het verdwijnen van de keuzevrijheid tussen PGB of zorg in natura (zorg die voor je geregeld wordt) van de baan. Tenzij je kan bewijzen dat Zorg in Natura absoluut niet bij je past. Een soort omgekeerde bewijslast. Een eigen zorgbudget zou toch voorop moeten staan. En de vrijheid van keuze over je eigen leven en zorginkoop. De overheid en de gemeente neemt steeds meer regietaken over, of laten helemaal los. Actieve burgers was het signaal, maar kille sanering is de praktijk. Burgerinitiatieven worden niet meer echt gehonoreerd en de ondersteuningsstructuur steeds meer aanbodgericht. Nieuwe initiatieven worden de hemel in geprezen, maar niet gefaciliteerd door de gemeente. Niet met mensen, niet met echte visie en niet met lef. Zo lees ik de stukken die gemeentewege worden gepubliceerd. Zo ook de kanteling van dit moment. Het lijkt een schijnkanteling te worden. Een kanteling naar het verleden en niet naar de toekomst. En dat willen we toch niet? De gemeente zou actieve burgers juist moeten ondersteunen, burgers die gezamenlijk stichtingen opzetten die jonge daklozen weer op de rit krijgen (zoals mijn vrouw samen deed met Zakia Attaea een Marokkaanse partner), burgers die innovaties willen doorvoeren die ouders van kinderen met een handicap weer helpen de regie over de hulpverleners terug te krijgen (zoals Sanne-Lot van Ulzen deed met http://www.blogboek.com), burgers die een klein beetje ondersteuning vragen, maar waar gemeenteambtenaren geen weg mee weten omdat zij nog ouddenken en niet kanteldenken.

In voorbeeld 1 bij het burgerinitiatief voor dakloze (jongeren en wat oudere jongeren) wordt HKZ, die papieren kwaliteitstijger door de gemeente verplicht gesteld, samenwerking met de andere instellingen in de stad verlangd en samenwerking met de nieuwe gemeentelijke praktijkwerkplaats. Betreffende stichting draait op kleine donaties, heeft een eigen, goed werkend kwaliteitstsysteem waar cliënten het eigen beheer van hun gedeelde eensgezinswoning in handen hebben. Dat werkt goed.

Maar nu komt het Kafkaiaanse. De stedelijke zorginstellingen als De Schoor, Kwintes en Vitree weigeren samen te werken als er niet voor betaald wordt c.q. als er geen indicatie is waar zij mede gebruik van kunnen maken (de meeste cliënten van betreffende stichting zijn dakloos of zitten in de schuldsanering, (ze hebben geen geld). De praktijkwerkplaatsen van de gemeente waar de stichting mee moet werken zijn alleen toegankelijk voor aanbieders die samenwerken en HKZ hebben. Hier zie je duidelijk de macht die zorginstellingen  hebben en zo kleinschalige burgerinitiatieven buiten de deur houden. En de gemeente is geenszins van plan dit te veranderen. Kafka in het groot. En dan heb ik het over nog veel meer drempels in het oude systeem. Een wereld die je wil veranderen moet innovaties toestaan, ook gaan ze niet langs de geëigende paden van de oude systemen.

In voorbeeld 2 – blogboek – zien actieve ouders van kinderen met complexere zorgvragen heel veel mogelijkheden voor eigen regie rondom de zorgcoördinatie, maar gemeente en professionals werken amper mee. Allerlei non-argumenten worden uit de hoge hoed getoverd om cliënten maar niet actief zaken zelf te laten regelen.

Een andere innovatie is Mextra (http://www.symax.nl). Een slim cliëntvolgsysteem voor klanten, ouders, professionals en wijkteams. Het hele dossier op de iPad. Onbegrijpelijk dat dit niet door iedereen omarmd wordt.

Dilemma: They don’t walk the talk
En daar zit nu het dilemma waar gemeenten en burgers voor staan. Aan de ene kant worden er momenteel programma’s gestart waar burgerinitiatieven rondom buurtzorg, mantelzorg, creëren van zorgnetwerken, et cetera worden aangejaagd en aan de andere kant verdwijnen de mogelijkheden van de gemeente om deze initiatieven financieel te ondersteunen. Ambtenaren juichen zorginnovatie toe, zijn druk aan het kantelen, spreken over een integrale aanpak (ik hoor zelfs de woorden holistisch), maar vergeten dat de echte innovatie in de inkoop zit die zorgvragers/burgers doen met eigen zorgbudgetten. Vanuit hun eigen regie. En dat heeft niets met eigen kracht te maken. Er is meer te winnen dan te verliezen momenteel. Participatie lijkt een middeltje voor alle kwalen (lees ik in een oude Vrij Nederland). De participatiesamenleving gaat er op deze manier echt niet van komen.

Stigmatisering door niet naar jezelf te wijzen
Hoe is het mogelijk dat je het hebt over burgerkracht in een gemeentelijk visiedocument als de burger en als aanbieder daarin niet serieus wordt genomen. Ik lees net de openingszin van paragraaf 1 van een intern gemeentelijk document: ‘Het een feit dat burgers steeds meer zijn gaan ‘claimen’ en steeds minder hun eigen kracht benutten? Of de tweede zin: ‘Aanbieders zijn vooral bezig met overleggen en niet met zorg.’ Vervolgens presenteert de gemeente zich in het stuk als de redder in de nood, en verlangt dat een ieder door “eigen kracht” aan te boren alles kan oplossen. Geen realistisch verhaal. Mijn zorg is dan ook groot. Ik zie een tweede dilemma. Ik mis in de visiestukken de aandacht voor vrijwilligers en mantelzorgers die nu al een grote bijdrage leveren en waar in de toekomst alleen maar meer van wordt verlangd. Hoe gaat dit uitpakken?

Wat is mijn conclusie
Het lijkt erop dat gemeenten de burger, de zorg- of hulpvrager op zijn verantwoordelijkheid gaat wijzen en tegelijkertijd de handen van de samenleving aftrekt. En dat als zure slagroom op de nog zuurdere pudding dit ook niet meer gaat bekostigen. In de transitie van de AWBZ naar de WMO nemen de gemeenten de hulpvragende burger niet serieus als partner en plaats waar de vernieuwing, de ideeën vandaan komen. En dat moeten ze nu juist wel gaan doen. De kennis en kunde van de moderne assertieve betrokken burger is juist de oplossing van de kanteling en het bezuiningsvraagstuk. In dialoog met de burger. Samen dus. Ondergetekende is al een tijdje aan de slag met zijn eigen gemeente. Ik merk dat mijn eigen gemeente wil  luisteren. Na een motie van GroenLinks en  is men het erover eens geworden, burgers worden (is de belofte) nu steevast uitgenodigd bij het ontwerpproces rond de kanteling. Want ik mag persoonlijk wel menen dat de burger aan zet is. Maar de gemeentes moeten ook ontdekken dat je in co-creatie de mooiste oplossingen kunt bedenken. Ik daag de gemeenten dus uit die stap te zetten. Want die burger is allang gekanteld naar 3.0. Nu de politiek nog.

Almere wil zo graag een echte stad zijn


Almere worstelt sinds de ontstaansgeschiedenis in 1976 met de gevolgen van haar snelle groei en identiteit. Van pionieren en met de voeten letterlijk in de klei is deze stad gegroeid naar de 7e stad van Nederland. De newtown heeft zelfs de ambitie om 5e stad van ons land te worden. Deze snelle groei is miraculeus maar kent ook zijn groeipijnen. Vooral tijdens de huidige crisis en vooral op het sociaal-culturele vlak.

Almere ontwikkelt snel en tijd voor reflectie lijkt er amper. Hierdoor zijn de kleren doorlopend te klein voor het lijf. Kijkend naar de behoefte van de stad loopt zij continu achter bij de parallelle ontwikkeling van sociaal-culturele voorzieningen. De Sociale Atlas Nederlandse Gemeenten 2012 vertelt dat Almere qua cultureel voorzieningsniveau op de 49ste plaats staat van de 50 grootste steden. Dit voorspelt niet veel goeds als er te weinig geld en aandacht gaat naar de natuurlijke bindmiddelen van een stad: de cultuur. De ‘cultureel verwende’ en voor de ontwikkeling van newtowns in Europa juist zo belangrijke middenstandselite verdwijnt momenteel naar oudsteden die wel deze bindingsfactoren te bieden hebben. Almere zou zo maar opeens het getto van de Randstad kunnen worden. Her en der zijn in Europa daar voorbeelden van te zien. De ontwikkeling in het oosten van Duitsland waar in de DDR-tijd enkel aandacht was voor goedkope eenvormige wijken met hoogbouw. Veel kansrijke en jonge ex-Oostduitsers keren deze steden de rug toe. Men kan gerust stellen dat bijna alle na-oorlogse wijken op de woonkwaliteitladders in Nederland vrij laag scoren. Met als exponenten Amsterdam Osdorp en Bijlmermeer. De banlieues rondom Parijs hebben vergelijkbare problematiek. Monotone woonsteden met dito woongebouwen zonder ‘hart’ worden wel gekscherend ‘bedroomtowns’ genoemd. Het is evident dat de in sneltreintempo door bestuurders en stedenbouwkundigen gemaakte nieuwe steden een achterstand oplopen op het culturele vlak. Een sociale structuur en een herkenbare stadsidentiteit ontwikkelt zich pas nadien. Meer nieuwe steden in Europa worstelen met dit fenomeen. In Nederland zoeken vinexlocaties Leidsche Rijn en IJburg houvast aan de stad waar ze bij horen en halen hun ‘sociale en culturele identiteit’ weg bij de oudstad in de buurt.

Almere wil een echte stad zijn
In het begin van deze eeuw vroeg het toenmalig stadsbestuur zich af of de stad na 27 jaar moest breken met het suburbane karakter van de stad. Dat werd bevestigd door een leefstijlenonderzoek van het bureau Motivaction, waaruit bleek dat Almeerders veel moderner en minder tradioneel waren dan verwacht. De diversiteit aan leefstijlen is opvallend aan Almere. De conclusie die werd getrokken was dat er meer stedelijkheid moest komen. Ook andere conclusies waren interessant. Meer studenten in de stad en meer diversiteit. Met de komst van de hogescholen de afgelopen jaren is er een goede stap gezet.

Vanaf dat bewuste moment vonden er een meerdere interventies plaats die vooral te maken hadden op de sociaal-culturele kant van stad. Er kwam een ontwikkeling op gang rond zingeving en een de zoektocht naar de (culturele) identiteit van modelstad Almere. De aanstelling in 2007 van de bijzonder hoogleraar sociologie Arnold Reijndorp die op de Han Lammersleerstoel mocht plaats nam, kan worden gezien als een serieuze poging van het stadsbestuur om aan de zachte kant van de stad te werken.

Uiteraard heeft Almere nog geen kans gezien te groeien en ontwikkelen zoals veel oude steden in Europa. Ondanks de planmatige en zorgvuldige stedenbouwkundige ontwikkeling werd in het door ingenieurs bestierde Flevoland meer gefocust op de harde component: plannen, ontwerpen en bouwen als oplossing. De bouw van een kostbare popzaal in 2004 zorgde niet voor de broodnodige culturele injectie. De zaal ging binnen een jaar failliet en er zit nu een casino in. De keuze voor het neerzetten van een ‘gebouw’, als harde interventie, zorgde niet voor de gewenste aanwas van culturele activiteiten. Langs de lijn van de vorm blijven dit holle ruimten in een cultureel nog in te vullen stad. De interventie zou meer effect hebben als ze langs de lijn van de inhoud gericht is. Het inkopen van bijvoorbeeld een volwassen symphonieorkest is niet de oplossing. Het ligt meer in de lijn van nieuwe broedplaatsen voor jonge kunstenaars in de rafelranden rond de stad. Echter bij gebrek aan oude pakhuizen en loodsen zal een newtown hier creatiever mee moeten omspringen.

Een van de initiatieven die de zoektocht naar zingeving en identiteit ondersteunen is de oprichting van de stichting Historisch Almere. Deze stichting is opgericht om de belangstelling voor Almere te stimuleren. Elk jaar vindt er de Hazelnootlezing plaats. Hazelnoten hebben voor Almere een bijzondere historische betekenis. Enkele verkoolde hazelnootdoppen tonen aan dat Almere een zeer oude geschiedenis heeft. Archeologen hebben bij boringen in Almere Buiten, op grote diepte van circa 9 meter onder de oppervlakte, verkoolde hazelnootdoppen gevonden die met vuursteen zijn bewerkt. Deze kleine vondsten van 8.000 jaar voor Christus duiden op menselijk leven: de eerste Almeerders! Het geeft een historische dimensie aan de stadsidentiteit. Cultureel erfgoed van allure, dat is wat Almere naast een hoop lef op stedebouwkundig gebied, blijkbaar ook heeft. In de bodem van Almere zit een schatkist met sporen uit het eerste landschapsgebruik van jagers-verzamelaars in Europa. Het historisch erfgoed van Almere is in die zin startpunt van haar geschiedenis. En niet alleen pijlpunten en hazelnoten, ook de vele ongeschonden en rijk gevulde scheepswrakken uit de gouden eeuw en later voegen een nieuw perspectief toe aan de geschiedenis van de jonge stad.

De stad Almere was het Nederlands antwoord op welvaartsgroei
Alle steden zijn een hybride van natuurlijke processen (in de zin dat ze zich grotendeels onttrekken aan menselijke beïnvloeding) en cultuuruitingen. In de zin dat zij een rechtstreeks gevolg zijn van welbewuste menselijke beslissingen en handelingen’.
Na-oorlogse nieuwe steden ondergaan met enige regelmaat veranderingen naar een volgend ‘format’: de groei van pioniersstad naar een adolescent en volwassen stad. Almere bijvoorbeeld heeft al veel interessante transformaties gekend. Daarbij is te denken aan milieutransformaties (van zee tot land), kolonisatieprocessen in het nieuwe land (van planten, dieren en mensen), ontwikkelingsstadia (van massaal en monofunctioneel tot kleinschalig en gedifferentieerd) en methoden (planmatig topdown en spontaan bottom up). Elke groeiende newtown zal na een tijd vanzelf transformeren tot een city. Wat betekent dat de oude bevolkingsgroep (de middenstandselite) wordt geconfronteerd met nieuwe groepen. In Almere is deze instroom de laatste 15 jaar flink toegenomen. De nieuwkomers zijn verschillend aan de pioniers die voornamelijk uit Amsterdam kwamen. Almere wil ook voor zijn nieuwe bewoners aantrekkelijk blijven. Aantrekkelijk voor jongeren, voor allochtonen (op dit moment is dat 28% van de Almeerse bevolking), maar ook voor mensen met een hoger inkomen en dito eisen aan een stad. Opvallend in Almere, maar ook andere nieuwe steden is de enorme stroom opwaarts in de (woon)carrièreladder van haar bewoners. De interne migratie in Almere was groot. Met een gemiddelde van eens in de vier jaar kiest een Almeerder voor verhuizing naar een nieuwe wijk, een groter huis, met achterlating van de oude buurt. Waar verpaupering op de loer licht.

Modelstad Almere als Madurodam van modern Nederland
Nieuwe steden zoals Almere zijn in de tweede helft van de vorige eeuw ontwikkeld om in de behoefte van goed en ruim wonen te voorzien. En dat volgens de toentertijd nieuwste stedenbouwkundige inzichten. Hierdoor zijn wijken en steden ontstaan die voornamelijk monofunctioneel waren: er wordt gegeten en geslapen. Werk en uitgaansleven vindt plaats in de ‘grote stad’ in de buurt. Veel nieuw ontwikkelde steden en wijken herkennen dit probleem en proberen zo goed en kwaad als het kan de stap naar een ‘diverse en volledige’ stad te maken.

De transformatie naar een volledige stad gaat verder. De komende jaren komen er in Almere 60.000 woningen bij. Crisis of niet. Vertaald in inwonersaantallen zijn dat 150.000 mensen die bij de nu al 200.000 bewoners kunnen worden gevoegd. Deze taakstelling zorgt er voor dat in Almere voldoende aandacht is voor het stenen stapelen en voor internationale prijsvragen op het gebied van architectuur en stedenbouw. In de afgelopen decennia is er weinig aandacht geweest voor het culturele element in de groeistad: het cement dat mensen bindt. Feit is dat Almeerders zich daarom blijven identificeren met de plaats waar ze vandaag komen, maar niet met Almere zelf. Trots zijn op Almere is nog geen gemeengoed onder de nieuwe bewoners.

Identiteitscrisis Almere?
Waarom is het vinden van een sterke identiteit voor een nieuwe stad zo complex? Ligt het aan het feit dat de openbare ruimte van jonge steden te ‘nieuw’ is en daarmee de ziel nog niet ontwikkeld is? Ligt het aan het feit dat mensen over het algemeen vasthouden aan hun vertrouwde paradigma’s over hoe mooie steden er uit moeten zien? Vooral oud, authentiek en avontuurlijk. Een nieuwe stad is nu eenmaal niet ‘gezellig’. Het oudste gebouw in Almere is 35 jaar. Op het netvlies blijven beroemde pleinen zoals die van Sienna of gezellige buurten als De Jordaan staan. Op organische wijze gegroeide oudsteden blijven langer in het geheugen van bezoekers hangen. Oude pleinen zijn makkelijker te duiden dan Almeerse waaiplantsoenen. De oude kern met in het midden de obligate tripartie, de kerk, het stadhuis en handels- of beursgebouw kenmerkt de oude stad en daarmee de ge(s)laagdheid van de oude stad. Deze gebouwen zijn exponenten van religie, bestuur en handel. Handel en religie waren in die tijd de drivers voor culturele ontwikkeling door de eeuwen heen. Een nieuwe stad mist deze uitbundige exponenten. Ook ontbeert de ‘tuinachtige’ urbane stad de compactheid van de avontuurlijke grootstad. Een stad met intieme ruimtes om te flaneren, uit te gaan eten, te struinen in winkelstraten of een bezoek aan museum of theater te brengen.

De volwassen geïntegreerde stad bruist op economisch vlak
Handels- of Hanzesteden zoals Amsterdam of Zwolle zijn ontstaan in een tijd van bloeiende economieën. Stedenbouw vond plaats langs natuurlijke weg- en waterwegen, en ontwikkelden tot broedplaatsen van kunst en cultuur. Rijke handelaren zoals de De Medici’s in Firenze en of de Kröller-Mullers in Rotterdam gaven met enige regelmaat financieel-culturele injecties. Tegenwoordig zie je welstandige bedrijven zich via sponsoring van evenementen, musea of concerten aan een stad binden. Een belangrijk feit. Cultuur kan nimmer zonder handel: de derde geldstroom. Almere heeft in die zin nog niet voldoende economische ‘cultuurdrivers’. De stad zou daar in moeten investeren. Ruim 5 jaar geleden is in Almere het nieuwe stadshart geopend. Een interventie om Almere een modern eigen hart te geven. Een miljardenproject. Met als ‘bindmiddel’ een avontuurlijke koopheuvel: handel dus. Architect Rem Koolhaas heeft met zijn Office for Metropolitan Architecture het masterplan hiervoor ontwikkeld. Geen orthogonale lijnen maar spannende doorkijkjes, trappartijen, uitgaansgelegenheden en theaters op en in een heuvel in een voor de rest platte stad. Dit nieuwe centrum is met zijn internationale en spraakmakende architectuur wellicht de eerste stap naar een moderne vorm van het creëren van een authentieke stad. Het hart vulde zich de afgelopen jaren met een prachtig theater van een Japanse toparchitecte, hotels, popzalen en een architectuurinstituut. Suburbaniteit is verbonden met huiselijkheid,’ meent Hoogleraar Arnold Reijndorp in een interview,‘Stedelijkheid met erotiek.’ Een kanttekening. Het ‘hart’ mist nog wel de sfeer die zo tekenend is voor oudere steden. Daar moet nog een en andere aan gebeuren. Sfeer creëer je door intimiteit, kiosken, stadmeubilair, kleur en gezellige pleintjes om langsheen te flaneren.

Almere loopt tegen nieuwe grenzen aan
Almere als de pioniersstad loopt tegen haar grenzen aan. De schaalgrootte nekt haar. De te ruime opzet van het stadshart. De kernen ver van elkaar afgekeerd. Als eilanden in de stedelijke woestijn. In Almere kenmerkt de crisis zich in een afnemende woning-productie, slagvaardigheid en communicatiestoornissen op het stadhuis. De stad zou met een volgende transformatie van een monofunctionele naar een gedifferentieerde stad moeten willen groeien. Een stad in al zijn facetten. Een stad waar meer gebeurt dan slechts prettig en goed wonen. Met veel meer aandacht voor de diversiteit in de stad.

Het hoger doel als leidraad voor de komende jaren
Intelligent besturen met een gezamenlijk hoger doel is bepalend voor toekomst van de nieuwe stad. Veranderen en vernieuwen naar Almere 3.0 kan enkel en alleen in het sociale systeem plaatsvinden, via een gezamenlijke hoger doel. Het stadsbestuur dient andere keuzes te maken. Om bepaalde zaken af te remmen en andere te bevorderen in het systeem van de stadsontwikkeling. Waar het op aan komt is ook vooral loslaten.
Moet je plat door blijven bouwen terwijl er een sociale en culturele achterstand is? Of is werkelijke reflectie of interventie mogelijk? Het cement in de integratiefase wordt gevormd door gemeenschappelijke zingeving. De Almeerse burger is niet meer volgend, zij is assertief en vol wilskracht, de nieuwstadse elite, de ondernemer, de ZP’er kunnen uitermate zelfstandig, zinvol, op het geheel gericht, handelen. Zij snappen allang wat de stad nodig heeft. Naast de technische en economische subsystemen die Almere in het verleden dreven wordt tijdens de reis naar volwassenwording van de nieuwe stad nu het sociale systeem ontwikkeld. Juist in tijden van crisis. Met een voor iedereen zichtbaar en beleefbaar hoger doel, waarin duidelijk kan worden gemaakt wat de bijdrage van de burger daarin kan zijn. Want mensen maken de stad. Een goede vraag is of het mogelijk is een ‘zoekende’ nieuwe stad via een hoger doel vorm te geven. De Almere principles geven richting, een visie en missie. Ze zijn echter nog de taal van de architect. Abstract en planmatig. Het rapport Social Cohesion in New Towns meldt: ‘No culture, no society. Culture is the spice of life. Culture as a tool for getting to know each other.’ De uitdaging in dit rapport is: ‘Getting newtown people acquainted with culture (both passively and actively) at the earliest possible age, working on a diversified small-scale cultural offering to get through to all sections of the population.’ Een doel kan bevoorbeeld zijn om Almere als creatieve stad te positioneren, daarmee nieuwe economie aan te trekken, haar hoger opgeleiden en haar middenklasse te behouden en haar culturele identiteit te vinden. Er hiervoor heb ik drie zaken geformuleerd:

1. Almere als duurzaam gebouwde jonge stad met aandacht voor blauw en groen (water en stadsparken)
2. Kleurrijk. Een stadsbazar: Intercultureel, divers en creatief
3. Komt dat zien, het wonder van de maakbare stad naar de stad die organisch verder zal moeten groeien

De Amerikaanse Hoogleraar Richard Florida heeft onderzocht wat een stad nodig heeft om te groeien naar een volwassen stad. Hij stelt dat een stad de 3 T’s moet bezitten. Deze T’s staan voor talent, tolerantie en technologie.
Het idee achter de 3 T’s is dat de één niet zonder de ander kan. Een stad zonder talent zal nooit een creatieve stad zijn en kan geen tolerantie bewaren. Een andere indicator voor een creatieve stad kan zijn de economische groei, het aantal creatieve bedrijven die in de stad gevestigd zijn. Florida’s onderzoek bracht naar voren dat bedrijven zich tegenwoordig daar vestigen waar het talent zit en niet meer andersom. En het talent had Pittsburgh – waar hij onderzoek deed – massaal de rug toegekeerd, omdat de stad verzuimd had een stedelijk klimaat te creëren dat aantrekkelijk was voor de creatieve klasse. “It’s not companies, but places that provide a pool of talent”, aldus Florida. De kern van stedelijke concurrentie ligt in een attractiestrategie van de juiste talenten. Met andere woorden: wie honing van topkwaliteit wil produceren, creëert eerst een veld waar duizend bloemen bloeien. Dan komen de bijen.

De creatieve stad beschikt over:

• een goed en breed aanbod van kunst en cultuur
• goed onderwijs en talent
• Cradle to Cradle-technologie, circulaire economie en de mogelijkheden om de stad verder te ontwikkelen naar een groene stad
• culturele ondernemers in een stad
• een goed vestigingsklimaat voor creatieven, middelgrote technische of anderzins maakbedrijven
• tenslotte een creatieve of innovatieve klasse op allerlei vlak; deze groep trekt grotere bedrijven aan

Tenslotte zijn kansen voor de komende jaren de broedplaatsen die her en der ontstaan, de Floriade 2022 en het International new town festival in 2018, om te vieren dat we een trotse stad zijn.