Koopkracht


Met het woord koopkracht is iets geks aan de hand. Er is met dat begrip een foute connotatie ontstaan in in relatie met ons financiële systeem. Alsof verbetering van inkomen direct gerelateerd zou zijn aan meer kunnen of zelfs moeten consumeren.

Die relatie met consumeren worden door het CBS en het kabinet in stand gehouden. Door die ‘meetlat’ aan consumeren te koppelen ontstaan in mijn opinie sneller ontevreden burgers als het om weinig koopkracht gaat. Want 1,3 procent meer koopkracht is natuurlijk voor velen peanuts (een paar tientjes). Schijngroei dus. Zeker als het bij alle andere welzijnsindicatoren minder gaat.

Ik zou liever onderwerpen als verbeteringen in onze maatschappij benoemen. 10 procent meer huizen gerepareerd in Groningen dan vorig jaar bijvoorbeeld. Of meer tijd voor de kinderen in de klas. Geen files en goede treinverbindingen. Dat is echte groei.

Het woord koopkracht is een woord uit oud economisch rupsje-nooit-genoeg denken. Zullen we een ander woord invoeren? Wat dacht je van een maatschappelijke veerkracht index.

De MVi. Perfect passend bij het streven naar een fijne wereld voor iedereen. Ik leef zoveel liever in een veerkrachtige maatschappij, met springplanken en vangnetten. Met meer kansen en meer liefde.

Saai Zuid


Ik vond een tekstje uit mijn tienertijd. Naast een stapel gedichten en schrijfsel die ik in de schoolkrant schreef van het Lyceum. Ik denk dat ik een jaar of 14 was. Het was, denk ik, een schrijfopdracht voor het vak Nederlands. Uit 1972. Ik typte het zojuist over van een handgeschreven velletje papier.

IMG_2890

Amsterdam Zuid

De deur achter je dicht. Een tape van de Beatles op. En dan je huiswerk voorbereiden. Daar zit je dan, op je zolderkamer van drie bij drie. Vorige jaar mocht ik naar boven, naar dat bergkamertje, want onze verdieping werd te klein.

Mijn ouders en broertjes wonen op twee hoog. De natte sneeuw klettert tegen mijn raampje dat uitkijkt op de lange brede straat. Het deert me niet, omdat het elektrische kacheltje vlak naast me staat, gericht op mijn voeten.

Ik besef me dat ik een van de weinigen scholieren ben die kunnen werken aan school zonder lawaai en gedoe om zich heen, serieus, als ik al mijn vrienden hoor.

Je zult maar op een bijzettafeltje in de huiskamer moeten werken. Met naast je een uit het Parool hardop lezende vader, op shopafstand in dezelfde kamer je jongste zusje die Toppop aan heeft staan. Met van die schreeuwerige filmpjes van popgroepen die niet werkelijk zongen maar nazongen wat ze op de studio tape hoorde. Ondertussen de rest van de familie aan de eettafel naast de keuken, en die elkaar in de haren vliegen als ware het een spelletje mens-erger-je-niet.

Ik heb zojuist dus vastgesteld hoe gelukkig ik ben met deze situatie, in mijn doodstille zolderkamertje in Amsterdam Zuid. Wat kan ik over de buurt zeggen? Er zijn weinig buurthuizen, het is een stoffige en duffe, saaie buurt. Er wonen bijna geen kinderen, alleen bergen oude van dagen.

Elk gebouw stamt hier uit de tijd van de glorie van voor de tweede wereldoorlog. Ook mijn buren stammen uit die tijd. Zij wonen in hun gigantische huizen aan de Goudkust en het Minervaplein. Zij vergaan langzaam in hun eigen kolossaliteit. Ik zie een kind uit mijn raam op straat spelen. En ik weet dat hij hier niet woont. Hij is op visite bij zijn oma. Hij zal wel naar buiten zijn gestuurd door zijn ouders, van … ga maar buiten spelen in de sneeuw, oma wordt onrustig van je. Hij zal wel denken, bah natte sneeuw.

In de verte zie ik de bekende oude mannetjes lopen, voorzichtig stap voor stap over de gladheid van sneeuw en stoep. Ze hebben lange baarden en vlechten in hun haar. Verderop zie ik een student met zijn vriendin naar zijn eigen zolderkamertje klimmen via het portiek en stenen trappen achter de openingen in de muur van het gebouw. Soms zwaaien we naar elkaar. Ik heb nog geen vriendin. Verder zie ik in de sneeuw gele vlekken en kleine hondendrolletjes naast de reusachtige platanen in mijn straat. Ja … de sfeer is vergeeld in deze buurt. Alsof een schilder een soort oker heeft laten sneeuwen over de stoepen van de stad. In mijn kamertje van drie bij drie meter gooi ik me maar op mijn huiswerk, met het geluid van Yellow Submarine door de boxen van mijn Grundig recorder.

 

 

 

Klimaatspijbelaars bestaan niet


IMG_3097

Klimaatspijbelaars bestaan niet. Mag ik dat uitleggen? Klimaatspijbelen is het politieke frame om jongeren in een negatief daglicht te zetten. Spijbelen kent in de systeemwereld enkel negatieve connotaties. Gelukkig kantelt de term klimaatspijbelaar nu naar klimaatjongere (youth4climate). Klimaatspijbelaar wordt in mijn ogen een geuzennaam en staat garant voor de disruptieve burger van de toekomst.

Deze inleiding brengt me naar de bijeenkomst ‘Burgermacht en Burgerkracht’ afgelopen week in het Veiligheidsmuseum PIT in Almere. Ik zocht hiervoor een aantal prominente sprekers bij elkaar, waaronder dr. Steven de Waal. Zijn taak was de veranderende wereld van de communicatie tegen het licht te houden van burgermacht en politieke onmacht om met disruptieve bewegingen om te gaan. De zaal zat vol communicatiespecialisten en voorlichters in dit speelveld van verwarring. Want niets lijkt tegenwoordig nog tastbaar, voorspelbaar, controleerbaar of maakbaar. De politiek blijft polderen, hevig op zoek naar andere how-to’s, en de wijze adviseurs naar nieuwe overlevingstechnieken.

Mark Rutte tweette op 8 februari naar de klimaatspijbelaars: ‘Ik sta, als jullie dat willen, met Eric Wiebes, altijd open voor een gesprek. Wel buiten schooltijd ;-). Klimaatverandering raakt ons allemaal, maar de jongere generaties krijgen te maken met de gevolgen. Uitnodiging volgt’.

IMG_3149

Wat is er aan de hand? Vier aspecten vertelt Steven de Waal.

  • er is een fundamenteel nieuw medialandschap (namelijk dat van de burger als geloofwaardige amateurjournalist). Hij noemt dat de derde civiele revolutie dankzij de digitale technologie en dat disrupteert de huidige zekerheden enorm
  • er is opeens een permanente publieke tribune (die de maatschappij en politiek in de gaten houdt)
  • er is echte burgermacht (polderpaternalisme en burgerparticipatie zijn achterhaald)
  • het bestuur moet naar een nieuw publiek leiderschap toe (en dat kunnen ze niet)
  • zelforganisatie van onderop is makkelijker, sneller en omvattender.

Net als Macron dit met de Gele Hesjes wil, wil Mark Rutte graag met de leiders van de klimaatjongeren praten. Echter Gele Hesjes en klimaatjongeren opereren als een zwerm en zijn niet te vangen. Zwermen zijn niet hetzelfde georganiseerd als de oude systeemwereld (zoals de werkgevers- en werknemersorganisaties). Zwermen hoeven geen leiders. Vogels die naar het warme zuiden vliegen, wisselen vrij onwillekeurig met elkaar de koppositie en zwermen ontspannen in gezamenlijkheid in co-creatie, op een wijze dat hen op dat moment uitkomt, steevast richting hun doel. Als het ware met hun zesde zintuig. Ze sturen op connectie en richting. Zo ook de jongeren. En daarbij komt ook dat zwermende jongeren eigenlijk niet zo van formeel gezag houden. Dat oude-mannen-grapje van Rutte in zijn tweet (Wel buiten schooltijd ;-)), daar hebben ze een broertje dood aan. Ergo:

  • ze hebben een hekel aan paternalisme (Ik zal het jou, onvolwassen kind, nog eens uitleggen waarom je niet mag spijbelen)
  • ze hebben een hekel aan formeel gezag
  • gaan uit van hun eigen waarden en houden niet van deals, uitruil en polderen.

Twee weken later is Greta Thunberg bij Juncker op bezoek. EC-voorzitter Jean-Claude Juncker hoeft maar één ding te doen: vriendelijk naast Greta Thunberg plaatsnemen. Maar in plaats daarvan sneert Juncker : „Ik heb als zestienjarige óók betoogd, maar ik deed dat op zaterdagen en nooit op schooldagen.”

Ergo. De politieke polderaars weten absoluut niet hoe ze moeten omgaan met moderne bewegingen in een wereld die meer digitaal en verbindend is dan de fysieke ooit was. Een wereld met meer waarheden en daardoor meer verwarring voor de oude garde die zich niet meer kan richten op een enkele waarheid, een enkel kanaal, of een enkel systeem.

Een ander voorbeeld van De Waal. Hij kent bijna geen jongvolwassene die kijkt naar de saaie uitzendingen van het NPO uit de Haagse studio alwaar journalisten ondoelmatig urenlang op het Binnenhof hengelen naar kabinetsnieuws en voornamelijk ‘geen commentaar’ te horen krijgen. Tijd en geldverspilling vinden ze. Jongeren wachten wel tot er echt nieuws is via hun eigen kanalen. Eigen kanalen die hun eigen agenda zet, verhulde zaken signaleren, hun mening vormt en direct in hun eigen kring peilt.

In de woorden van De Waal: ‘De burger had al een mening, maar nu praat hij meteen en voor iedereen hoorbaar terug, kan die mening afstemmen met zwermgedrag, kan direct peilen wie en hoeveel men het met die mening eens is en kan meer argumenten krijgen, die ook nog eens sterker zijn.’

Hoe moet dat dan? Een paar tips aan de deelnemers van deze masterclass: ‘Maak je verhaal persoonlijk, want persoonlijkheid telt zwaar bij overtuigingen. Wees consistent in je persoonlijkheid, en de reden waarom je doet wat je doet. Ga van tekst naar theater. De retoriek en ethiek wint het. Ben ik deugdzaam en te vertrouwen. Kan ik goed uitleggen. Van systeemwereld en technisch management naar leiderschap met passie en lef.’

De Waal sluit af met zijn waardering voor de stijl van Trump en de stijl van Jesse Klaver. Want, zegt hij: ‘Die twee politici hebben het begrepen, het volk wil emotie en geen nuchtere feiten, ze willen verontwaardiging, het delen van zorg. Geef het ze.’

Aan de communicatieadviseurs in de zaal de taak hun bovenbazen op deze taken te wijzen.

Een kort filmpje over deze bijeenkomst die ook ging over Veiligheid en Verwarde personen en de Floriade en Burgerparticipatie:

Burgerkracht en burgermacht

Woelmuizen


De mensheid lijdt al duizenden jaren aan het rupsjenooitgenoeg-gen, ofwel het ‘Alfamannensyndroom’. Ondanks dit gedrag om steeds meer bezit te willen, steeds rijker te willen worden, steeds meer te eisen van ons ecosysteem, zie ik dat in het reeds ingestorte kapitalistisch systeem, nieuwe systemen ruimte bieden voor oplossingen en overlevingskansen voor onze blauwe planeet en vooral onze species en dat die kansen door een bewustzijnshift plots groter en kansrijker wordt. Er is een groeiende meerderheid jonge mensen die de retoriek van moloche klassieke partijen, die het liberaal gedachtegoed willens en wetens misgebruiken voor eigen gewin, verafschuwen en met eigen oplossingen komen.

In het overleven is de mensheid gelukkig niet de enige soort. Dus zullen nieuwe bewegingen de oude wereld kantelen naar een nieuwe toekomst. Een wereld waar circulaire economie en fossielvrije energie mainstream wordt. Hoe de oude wereld van graaiers ook terug probeert te slaan, er is een enorme kanteling gaande. Ik merk dat bij onze kinderen.

Ook van de woelmuizensoort, de lemmingen, is uiteindelijk bewezen dat ze zich niet massaal van een klif storten.

Voor het geluk. Een kerstverhaal.


DSC02280.jpg

MAYIM

Mayim betekent water in het Hebreeuws

‘Mayim,’ hoor ik nog half in slaap mijn broer roepen. ‘Wakker worden, de post bracht een brief uit Terschelling.’ Je moet weten dat ik spastisch ben en als ik ‘s nachts niet bewogen heb, ben ik helemaal stijf en reageer niet zo snel. Dat weet Machiel. Hij maakt me ’s morgens altijd aan het lachen door me in mijn zij te kietelen en dan schokken mijn stijve ledematen alle kanten op. Als ik eenmaal heb bewogen en in mijn rolstoel ben getild gaat het een stuk beter. Machiel is een fijne broer, hij helpt me met allerlei dingen, ook als ik bijvoorbeeld moet eten of drinken.

‘Okay, Machiel, lees voor.’ Ik kan die brief niet zelf openmaken, dus hij doet het voor me. Het is een brief geschreven in statige krulletters, dat zie je niet veel meer.

‘Lieve Mayim. Ik heb het afgelopen jaar jouw tweets gelezen en ik begrijp dat je liefste wens is om zeehondjes los te laten. Nu ken ik iedereen die met zeehonden te maken heeft en … ik heb een verrassing voor je, je mag ze komen loslaten in de meivakantie. Je mag dan samen met je vader, moeder en broer komen logeren in mijn huis op het duin. Lieve groet, Tina.’

‘Oh, Tina, dank je wel. Wat ben jij lief. Ik hou van je,’ roep ik naar de brief. Ik klap mijn handen van plezier. Mijn spastische handen staan altijd iets naar buiten gebogen. Het lijken wel de flappers van een zeehond, denk ik opeens.

De eerste zaterdag van mei reizen we met de hele familie naar Terschelling. Het voorjaarszonnetje schijnt, er waait een straffe wind. We zijn op pad naar de plek waar de zeehonden worden vrijgelaten. Papa duwt mijn rolstoel via een zanderig en kronkelig duinpad naar de zee. Ze noemen dit het Groene Strand, een kuststrook tegenover de zandplaat waar de meeste zeehonden op verblijven. Opeens houdt hij op met duwen.

‘Wat een rotklus,’ zegt hij. ’Ik doe het niet meer, het zand kan van mij een oplawaai krijgen.’

‘Nog een paar honderd meter, even doorzetten,’ moedig ik hem aan. Dat zeggen ze ook wel eens tegen mij, even doorzetten. Hijgend staat hij achter mijn rolstoel, hij heeft net vijfhonderd meter door het zand geploeterd, hij is twee keer gevallen. Zijn shirt is doorweekt met zweet en zit vol zand. We hebben nog een flink stuk te gaan.

‘Misschien ben je wel een beetje te dik pappa,’ zeg ik vals.

‘Hou je mond,’ zegt hij.

‘Luister, ik heb een idee, als je nu eens mijn rolstoel trekt, achterstevoren, met de grote wielen voorop.’ En zo gebeurt het. Daar gaan we weer, op weg om jonge zeehondjes vrij te laten. Ik bedenk, die waggelen en hobbelen straks op dezelfde wijze op hun pootjes, als ik nu in mijn rolstoel. Machiel en mama zijn allang op de plaats van bestemming, ze weten niets van die hele gedoe af met de rolstoel. Lopen is een stuk makkelijker.

‘Die zeehondjes zijn toch weesjes?’ vraag ik pap.

‘Ja, ze worden ook wel huilers genoemd.’

‘Zouden ze zich de zee nog kunnen herinneren?’

‘Ja, klein ding … ‘

‘Ik ben geen klein ding meer.’

‘Okay.’

Iedereen droomt weleens weg, maar bij mij gebeurt dat vaker. Ik kijk naar de vogels in de lucht, naar de zeemeeuwen. Wat een enorme vogels zijn dat en wat een verschil met die kleine steltlopers langs de waterlijn. Ze pikken de hele tijd in het natte zand op zoek naar garnalen of schelpdieren. Papa tikt me aan.

‘He, dromer, we zijn er bijna.’ Hij noemt me vaak zijn kleine dromer, want soms raak ik even een paar minuten verdwaalt in mijn gedachten, dan weet ik niet eens meer waar ik ben, dat hoort bij mijn epilepsie.

Achter de volgende zandduin ligt ons reisdoel, het brede strand waar de zeehonden worden vrijgelaten. De vrachtwagen van de zeehondencrèche komt al aanrijden en nadert de zee tot op vijf meter. De wagen rijdt tot vlak voor ons. Op de aanhanger staan zeven grote kratten, met de namen van de zeehondjes erop. Twee mannen springen uit de auto en tillen de kratten van de aanhanger. We zijn nu zo dichtbij, dat ik tussen de spijlen door de zeehondjes kan zien, ze bewegen heen en weer. Ik zie hun neuzen snuffelen tussen de houten planken, ze ruiken het water, en ik zie hun grote verwonderde ogen. Een van de mannen staat te gebaren naar ons. ‘Kom, kom.’ Op de zijkant van elke kist is met tape een velletje papier met de naam van de dieren geplakt. In de eerste kist zit de dikste zeehond met de naam Strong. Daarna komen de anderen, en tenslotte de laatste zeehond waar het zeehondje Mayim in zit. Ja, die is naar mij vernoemd, dit is gaaf. De kisten worden langs de kustlijn opgesteld. Samen met pappa tilt een van de mannen me uit de rolstoel en zet me bovenop de kist waar het zeehondje Mayim in zit. Ik mag zelf de houten schuif aan de voorkant omhoog doen.

‘Een, twee, drie, hup Mayim, naar de zee.’ En ja hoor, na wat gehobbel door het zand plonst zij het water in, tegelijkertijd doen de mannen samen met Machiel en mama de andere kisten open, daar gaan ze, waggelend naar de branding, kopje onder, en met ze allen zwemmen ze naar de eerste zandplaat voor de kust, hun zeehondeneiland.’

‘Zeehonden zijn veel sneller in het water dan op het strand, zegt papa. ‘De lijfjes van zeehonden zijn gemaakt voor het water.’

‘En mijn lijfje, waar is dat dan voor gemaakt?’ zeg ik.

Het lijkt wel of hij geen antwoord heeft, het blijft stil.

‘Daar moet ik over nadenken,’ zegt hij tenslotte. Mama en Machiel zijn er bij komen staan.

En dan zegt Machiel out of the blue: ‘Voor het geluk.’

…………..

Naschrift voor de lezer: Ik schrijf deze verhalen samen met mijn dochter Mayim. Ze is ernstig meervoudig beperkt en zit in een rolstoel. Het zijn haar ervaringen en belevenissen. Ze vertelt me dit tijdens een soort van interview om de zoveel weken. Dit gaan langzaam en moeizaam vanwege haar handicap. Ik teken dit dan op vanuit haar perspectief. Mayim is de ik-figuur. Over een paar jaar komen deze verhalen in een roman. Voor nu schrijven we in alle rust verder. Elke maand een kort hoofdstuk.

Lotje, een kerstverhaal over bezinning


Speciaal vandaag. Voor een dag van bezinning voor velen, schreef een van de initiatiefnemers van het museaal belevingspark in oprichting, Marcel Kolder, een kort verhaal met een boodschap. Over Lotje die project [LotS] ontdekt deze zomer. Hij maakte er ook een tekening bij. Lots of leesplezier.

‘Mam?’

‘Ja Lotje, wat is er nu weer.’

‘Daar in het park, daar … achter de flat, tussen de bomen, wat is dat? Zullen we er even naar toe lopen?’

‘Ik weet het niet Lotje, een andere keer, kom mee, ik heb haast, we moeten nog boodschappen doen en langs de Bruna voor een pakketje.’

‘Ach toe, laten we kijken, gisteren stond het er niet. Het is echt een raar ding.’

‘Nee Lotje, en ik heb vanavond na tennisles ook nog ouderraad.’

‘Mag ik dan zelf gaan kijken, mam?’

‘Pas je wel op dan?”

‘Ik ben geen klein kind meer. Ik ben elf.’

‘Oké, maar neem wel je mobiel mee, voor als je iets overkomt.’

Lotje rent via de lange haag naar het park. Nu ze dichterbij komt lijkt het voorwerp te leven, het is ook groter dan Lotje eerst dacht. Het heeft de vorm van een schelp, een soort nautilus. Langs randen van het spiraal lichten kleuren verleidelijk op, precies op het ritme van het geluid dat van-binnen-uit komt, alsof het met diepe teugen ademhaalt.

Nieuwsgierig kijkt Lotje door de ronde opening naar binnen. In de ruimte ziet ze een doolhof van kleine kleurige kamers. Ze stapt naar binnen en loopt over een tapijt met voor haar onbegrijpelijk spreuken. Uit de eerste kamer komt het ritmische geluid, maar er is meer, er liggen op de grond cocons van wol, die zachtjes heen en weer bewegen … daar zou ze best in weg willen kruipen, denkt Lotje … weg van al dat gedoe de hele dag. Uit de tweede kamer ontsnapt licht, het lijkt haar te wenken: Kom hier, kom hier, hier is het fijn. Lotje opent de deur en stapt de kamer in. Een dranger sluit de deur achter haar dicht … ze heeft het niet in de gaten. Het is pikkedonker en stil. Doodstil.

‘Psssst,’ hoort Lotje. Plots ruikt ze een zoetige kaneelachtige geur, waar kent ze dat van? Het doet haar denken aan oma’s appeltaart.

‘Psssst.’ Nog een geur. Bah, dat ruikt vies, denkt Lotje, het ruikt naar de grote stad. Verward stapt ze uit de kamer: ‘Wat is hier aan de hand?’

Op de deur van de derde kamer staat met grote neonletters Next Senses. Dat maakt haar nieuwsgierig, daar gaat ze als laatste naar toe, beslist ze, ze kan nog wel een extra zintuig gebruiken. Vooral een die voorkomt dat ze weer in de verkeerde kassa-rij van de supermarkt staat.

In de naastliggende kamer staat een grote aardenwerken kruik omringd door apothekersflesjes in alle formaten. Daarop teksten als geelwortel, ginseng, oerwater en vitamijn. Aan de amfoor zit een goudgekleurd kraantje met daaronder een kristallen glas waarin het elixer druppelt. ‘Drink me’, leest Lotje. ‘Drink me en verbaas je’.

Lotje pakt het glas, zet het aan haar lippen en … ze is zo benieuwd …

Haar mobiel gaat af.

‘Ja, mam. wat is er nu weer.’

Lotje-breed

Als je nog iets kunt missen tijdens deze dagen van bezinning en lijkt je een bezoek aan Lotjes vondst leuk komende zomer? Maak het mee en kijk op:

https://www.voordekunst.nl/projecten/8126-een-schil-voor-labyrinth-of-the-senses-1